Weerbericht Tjeerd Jansen 4 juni 2020

 

Tjeerd Jansen                                                                      

Beste Rotary-vrienden,

Zoals voor iedereen, is ook voor mij de afgelopen periode een rare tijd geweest. Aanvankelijk dacht ik dat de crisis een behoorlijk lege agenda zou opleveren. Meteen kreeg ik ambities om eens flink te gaan opruimen en allerlei klusjes op te gaan pakken die al tijdenlang onaangeroerd op de plank liggen. Maar dat is toch snel anders gelopen. Uiteindelijk heb ik weliswaar iets meer tijd gekregen voor al dit soort dingen, en is er in de tussentijd het een en ander opgeruimd geraakt. De grote slag die ik aanvankelijk in gedachte had, heb ik echter niet kunnen slaan. Vanuit het huis (Aqua Viva bedoel ik) is er meer werk op mij afgekomen. En allerlei verbanden waarvoor ik de auto in moest om naar vergaderingen te gaan, vonden toch na een aantal weken al een andere vorm via allerlei media-platforms voor video-conferencing.

Het belangrijkste is echter het effect van de crisis op het huis waarin ik werk, zoals jullie weten een zorgcentrum voor bejaarde religieuzen (waarvan de jezuïeten de grootste groep uitmaken) en – in toenemende mate “leken” (rotwoord), zoals Carel van Dijck – die hier een appartement huren en zorg betrekken. Dat effect is, gelukkig, minimaal. Er is nog steeds geen uitbraak van het virus in huis geweest. Even was het spannend toen één van onze medewerkers positief testte. Gelukkig had zij alleen milde verschijnselen. En inmiddels is zij, na enige tijd thuis te zijn geweest, weer aan het werk. Bovendien had zij niemand in huis aangestoken.

Want dat is natuurlijk het risico dat wij hier lopen. Verreweg de meeste bewoners (dat geldt zeker voor de religieuzen) hadden al een kleine sociale wereld en weinig fysieke contacten met de buitenwereld. Religieuzen hebben immers geen kinderen of kleinkinderen. Allen die hier wonen zijn zeer oud. Van velen zijn de meeste broers of zussen inmiddels overleden, of zó oud dat zij ook niet meer reizen. En allen zijn al decennia uit hun oude werkkring weg. De sociale isolatie die de regeringsmaatregelen van ons vragen, maakten dan ook voor de meesten van ons niet veel uit. Het zijn de medewerkers, met hun gezinnen thuis en hun bredere maatschappelijke contacten, die eventueel het virus in huis zullen gaan brengen.

En dan zijn er dus die niet-religieuzen hier in huis. Voor hen had de lock-down wel degelijk grote gevolgen. De meesten van hen hebben familieleden en/of vrienden die hen vóór de crisis regelmatig bezochten. Dat bezoek is grotendeels weggevallen en wordt op het moment alleen mondjesmaat weer toegelaten. Zij hebben de eenzaamheid in de afgelopen weken dan ook het scherpste gevoeld.

Daar zijn wij wel maatregelen tegen gaan nemen. Er worden filmmiddagen georganiseerd waar men elkaar – op gepaste afstand en zonder gezellige nazit – toch even kan ontmoeten. En het is inmiddels mogelijk voor bewoners om in ons restaurant te eten. Ook met slechts één persoon aan tafel is er dan meer contact dan wanneer je in eenzaamheid op je appartement zit. Bovendien benutten wij de terrassen rond het huis, om contact – over een gepaste afscheiding heen – in ieder geval minimaal mogelijk te maken. De één of ander heeft er weliswaar last van niet meer de stad in te kunnen, maar over het algemeen is de stemming prima. En: nog geen uitbraak.

Al met al maken wij het dus best goed.  Maar de versoepeling van de maatregelen die nu gaat plaatsvinden, maakt het allemaal weer een beetje spannend. Onze medewerkers gaan met een bredere kring mensen in contact komen . Ook als allerlei beperkende maatregelen voor de bewoners van verzorgingshuizen zelf in tact blijven, brengt dit toch weer een groter risico met zich mee. We zullen de ontwikkelingen moeten afwachten.

En dan is er mijn andere werkkring: de Vrouwen van Bethanië. Het puur bestuurlijke werk voor hen gaat inmiddels weer gewoon door, dankzij de mogelijkheden van video-vergaderen. Met de dames zelf beperkt het contact zich tot de telefoon, de mail en (in een enkel geval) Skype. Zo weinig fysiek contact met hen (ook een groep zeer bejaarde mensen) is gek en onaangenaam. Gelukkig is er onder hen ook nog geen uitbraak gekomen, hoewel één van hen bij het schrijven van dit bericht getest gaat worden.

Weer andere bezigheden van mij zijn echter totaal stil komen te liggen. Ik doe nog het een en ander aan studentenpastoraat. Maar de viering van het lustrum van een dispuut is afgelast. Een studiereis naar Rome met een andere groep eveneens. Ik heb nog betrokkenheid met de Tempelridders. Maar ook in die kring geldt dat alleen de vergaderingen van het landelijke bestuur doorgang vinden (per videolink), terwijl de bijeenkomsten van de afzonderlijke regionale groepen (commanderijen) en de individuele contacten stil liggen. Met mijn familie in het westen en noorden van het land is er vooral belcontact. En van de consequenties van de crisis voor de Rotary weten jullie alles af.

Al met al is mijn sociale wereld een heel stuk kleiner geworden, en zolang “mijn” zorgcentrum de bescherming van isolatie nodig heeft, verandert dat ook niet. Hoe maak ik het daar zelf bij? Eigenlijk best goed. Ik heb nog een hoop te doen, en ik kan met hetzelfde gemak als vóór de crisis gaan wandelen in Heumensoord. (Waar het wel beduidend drukker is geworden.) Maar ik moet toegeven dat ik af en toe toch even heb moeten worstelen met de beperkingen waarmee wij geconfronteerd zijn en met de zorgen die deze periode met zich mee brengt. Dat sommige dingen botweg niet doorgaan en de wereld desalniettemin doordraait, legt bovendien de vraag op tafel naar de juistheid van bepaalde van mijn prioriteiten. Deze coronatijd is daarmee – anders, maar niet minder dan in andere tijden – een periode die af en toe om reflectie vraagt. En daarvoor heb ik in deze maanden toch ook een beetje meer tijd kunnen vinden. Om onze nationale filosoof te citeren: “Ieder nadeel hep sun foordeel”.