Weekbericht Rotary Club Nijmegen 24 december 2021

 

Rotary Club Nijmegen

Clubjaar 90 / Jaargang 64 /  Bijeenkomst  van 24 december 2021

 Motto van clubvoorzitter Jan Roelof Moll “Rotary beweegt voorwaarts! ”

Betalingen aan penningmeester Jeroen Simkens op rek. NL34SNSB0932203108 t.n.v. RC Nijmegen. Rekening Van Broekhovenfonds: NL29INGB0003575209.

MEDEDELINGEN VAN HET SECRETARIAAT:

Aanwezig:   11 leden

Gasten:  geen

PROGRAMMA:

  • 31 december:                Geen clubbijeenkomst
  •  7 januari 2022:              Nieuwjaarsbijeenkomst: winterwandeling (ovb)
  • 14 januari 2022:            Schouwburg/Vereeniging (ovb)
  • 21 januari 2022:            Eerste clubbijeenkomst op nieuwe locatie: Groenewoud

 MEDEDELINGEN:  

  • Maike Woldring vervangt vandaag Jan Roelof Moll als voorzitter
  • Astrid Wessels laat ons groeten. Zij ondergaat vandaag een operatie, en wij denken aan haar. Een kaartje is altijd welkom.
  • Er volgt nader bericht over de bijeenkomsten aan het begin van het nieuwe jaar. Ronald is op zoek naar een goede invulling van het programma, die in de vorm moet aansluiten bij wat corona-matig mag.
  • Tot nader bericht zullen wij in ieder geval (en hopelijk) met ingang van 21 januari voor de lunchbijeenkomsten samenkomen in Groenewoud.

Inleiding:

Tjeerd Jansen: Christelijke Thema’s in The Lord of the Rings

 Samenvatting:

Tjeerd presenteert het werk van Tolkien en beschrijft de motieven die Tolkien had voor het schrijven van zijn mythologie. Tenslotte schetst hij enkele van de christelijke motieven die in het boek aan de orde komen.

Na zijn inleiding leiden enkele vragen en opmerkingen tot een boeiend gesprek, dat wellicht een keer voortgezet zou kunnen worden.

De inleiding:

Tjeerd begint zijn inleiding met de oproep aan degenen die alleen de films gezien hebben, om toch vooral ook het boek te gaan lezen. Dat is veel rijker en subtieler dan de films kunnen zijn. Degenen die noch de films gezien hebben, noch het boek gelezen, worden gewaarschuwd met een spoiler-alert: In de loop van de inleiding zal ook over het plot van het boek iets gezegd moeten worden.

De opzet van de lezing is grofweg de volgende:

  1. een introductie van Tolkien (1892-1873) en het project van zijn mythologie en zijn boeken, en zijn motieven daarbij;
  2. en vervolgens een korte schets van de belangrijkste christelijke thema’s daarin.

ad 1.    Tolkien en zijn project

Het is heel zelden dat iemand iets doet omwille van één motief alleen. Meestal hebben wij meerdere redenen om de dingen te doen, die wij doen. Dat geldt ook voor Tolkien en de verhalenreeks die hij geschreven heeft.

Het eerste boek dat verscheen (in 1937), was The Hobbit. Dat boek is gegroeid uit de verhalen die Tolkien als vader aan z’n kleine kinderen vertelde rond bedtijd. Als je het leest, valt het ook op dat het echt als een kinderboek begint. Dat wordt zichtbaar in de taal die gebruikt wordt, in de wijze van vertellen, en bijvoorbeeld ook in de versjes die Tolkien er in opnam. Maar tegen het einde van het boek verandert het van toon, en wordt het een stuk volwassener. Ik kom daar op terug.

Het tweede boek dat verscheen (in 1954), is het eerste deel van het hoofdwerk The Lord of the Rings, en de andere twee delen verschenen snel daarna. Maar in de tussentijd zijn er een heleboel andere dingen gebeurd en teksten geschreven, die later zouden verschijnen in de vorm van andere boeken, waaronder verzamelingen van on-afgeronde verhalen. Uiteindelijk verscheen een uitgave van het complete oeuvre van Tolkien, af en onaf, uitgegeven door zijn zoon Christopher.

Al die andere teksten waar Tolkien aan werkte, hangen samen met zijn andere motieven voor het schrijven; de andere motieven dan alleen die van een vader die graag verhalen vertelt. Waar komen die andere motieven vandaan?

Tolkien was van huis uit een filoloog. Hij was van 1925 tot 1945 hoogleraar Angelsaksische taal en van 1945 tot 1959 hoogleraar Engelse taal en literatuur, beide in Oxford. Hij was gek op taal, en bovendien een mens met een oog voor details. Vanaf het moment dat The Hobbit in zijn fantasie vorm begon aan te nemen, is hij begonnen met een constructie van de wereld waarin het verhaal zich afspeelt. En die constructie begon voor hem – als filoloog en taalliefhebber – bij taal.

In die wereld van Tolkien – Middle Earth noemt hij het – komen vele volkeren voor. Niet alleen mensen, maar natuurlijk ook hobbits. Hobbits lijken op mensen, maar ze zijn half zo groot, over het algemeen tamelijk stevig gebouwd, en ze hebben geen schoenen nodig, omdat ze heel harige voeten hebben. En er zijn nog andere wezens. zoals elven en dwergen. En allerlei kwaadaardige wezens, zoals orcs, die een corruptie van elfen zijn, en dus zo lelijk als elfen mooi zijn.

Maar voor Tolkien begon het dus bij taal. Hij is begonnen met het verzinnen van de talen van de elfen, op z’n laatst in 1915 , dus zo’n 22 jaar vóór zijn eerste boek uitkwam.

Talen hebben volkeren nodig, die die talen spreken. Dus verzon Tolkien volkeren voor de talen die hij aan het ontwikkelen was. En volkeren hebben een geschiedenis nodig, die hen een plaats in de wereld geeft, en de ontwikkeling beschrijft die hun aanwezigheid in de wereld doormaakt. Dus begon Tolkien ook een geschiedenis te ontwerpen. En, zoals de Leidse hoogleraar voor vaderlandse geschiedenis Daniel Roorda ooit zei: “je kunt niet aan geschiedenis doen zonder atlas”. Dus begon Tolkien ook kaarten te maken van zijn wereld.

Talen, volkeren, geschiedenis, kaarten en een geografie; Tolkien ontwierp een wereld. Hij ontwierp die wereld van de grote lijnen van een kosmologie en een mythologie en een geschiedenis, tot in de kleinste details. Om een indruk te geven van de mate van detaillering: In zekere zin is zowel het verhaal van The Hobbit als dat van de Lord of the Rings, een reisverhaal; van het begin van het avontuur tot aan de voleinding ervan. Tolkien heeft die reizen die zijn personages doormaakten tot op de kilometer en het uur doorgerekend. Er wordt door zijn personages geen dag korter of langer gereisd, dan de reis in werkelijkheid nodig gehad zou hebben. En dan de talen die hij ontwierp: Die talen zijn zo compleet ontwikkeld, vooral die van de elfen, dat je ze je leren kan. (En verbazing wek-kend genoeg, zijn er ook mensen die dat doen.) Er zijn inmiddels grammatica’s en woordenboeken, en die talen zijn zo compleet als een taal wil zijn.

Volgens velen is het dat oog voor details dat één van de redenen is, waarom Tolkiens fantasiewereld zoveel mensen fascineert. Het is een wereld die uitermate precies en kloppend in elkaar gezet is, en daardoor werkt.

In de geschiedenis die Tolkien voor Middle Earth verzint kan je een viertal tijdperken onderscheiden.

Het eerste handelt over de schepping en de zondeval en over een – wat voor de volkeren in zijn wereld – prehistorie is. De tweede omvat een antieke periode, en wordt afgesloten met grote volksverhuizingen, die het landschap van Middle Earth totaal veranderen. Vervolgens is er een derde, dat over de middeleeuwen van Middle Earth gaat, en over een nieuwe geschiedenis daarna. Die derde periode van de geschiedenis wordt afgesloten met het vertrek van de elven uit Middle Earth en hun reis over zee – over de sundering seas – naar de gelukzalige eilanden. De verhalen van The Hobbit en The Lord of the Rings situeren zich aan het einde van dat derde tijdperk, dus aan het einde van de nieuwe geschiedenis van Middle Earth.

En daarna volgt een vierde tijdperk, namelijk het “tijdperk van de mens”, waarmee onze eigen prehistorie en geschiedenis begint.

Tolkien presenteert dus zijn wereld als een mythologische wereld, die vóór onze eigen prehistorie en geschiedenis bestond.

Terug naar de motieven: We hebben dus de vader en verhalenverteller. En wij hebben de filoloog en taalliefhebber, die via het verzinnen van talen in de reconstructie van een wereld terechtkomt. Maar het is natuurlijk niet zomaar een wereld die hij construeert. Een volgend motief komt voort uit zijn kennis van de Noorse mythologie. Als student van de noordelijke talen kende hij die mythologie heel goed. En hij was er jaloers op. Het stak hem dat Engeland en de Engelse talen niet zo’n rijke mythologische bodem hadden als de Noorse talen, en hij wilde met zijn fantasiewereld een soort mythologie voor Engeland schrijven. Het is dan ook niet vreemd, dat allerlei belangrijke plekken in Middle Earth, en met name het land van de hobbits (The Shire), doen denken aan plekken in Engeland die Tolkien in het bijzonder dierbaar waren.

Maar in die mythologie komen dan natuurlijk ook de grote thema’s ter sprake, die in mythologieën nu eenmaal altijd ter sprake komen. Zoals met name die van de strijd tussen goed en kwaad. En daarmee zijn wij dan op een heel wat minder onschuldig terrein, dan het onschuldige kinderboek dat The Hobbit is.

Het brengt ons bovendien bij een laatste belangrijk motief in het werk van Tolkien. Tolkien was heel erg katholiek. Hij was zich bovendien heel erg bewust van het feit, dat de westerse wereld aan het seculariseren was. Tolkien maakte deel uit van een groep bevriende hoogleraren – de meeste, maar niet allemaal, katholiek – die daar regelmatig onderling met elkaar over spraken. Met zijn boeken wilde Tolkien dan ook niet alleen een mythologie van Engeland schrijven. Hij wilde daarin ook – op een heel geseculariseerde wijze – christelijk gedachtegoed verwoorden.

Hij wil dat dus op een geseculariseerde en subtiele wijze doen. Je zult in zijn werk de naam van God dan ook niet tegenkomen, en natuurlijk ook niet die van Jezus. Maar het is tegelijkertijd doordesemd met thema’s uit de Bijbel en de christelijke – en met name katholieke – theologische traditie. Vaak gebeurt dat in een korte opmerking of observatie van één van de personages. Maar er zijn ook een paar grotere thema’s die in zijn werk geïncorporeerd zijn. Ik ga op de belangrijkste daarvan kort in.

ad 2.    Christelijke thema’s in het werk van Tolkien

Ik zei eerder al dat The Hobbit minder als een kinderboek eindigt, dan het begint. Dat hangt samen met een ring. Heel in het kort komt het verhaal van The Hobbit hier op neer: Bilbo Baggins is een welgestelde, en beetje gezapige, hobbit. Maar hij wordt uitgenodigd om op avontuur te gaan met een groep dwergen. Die dwergen zijn de afstammelingen van wat ooit een aanzienlijk en machtig geslacht was. Maar zij hebben vele jaren geleden een vernietigende oorlog doorgemaakt, en zijn beroofd van de schat die zij bezaten. Die schat is nu in de klauwen van een angstwekkende en heel machtige draak. Zij willen die schat terug gaan stelen, en Bilbo moet de inbreker zijn die hen daarbij helpt.

Bilbo gaat met hen op tocht, en op die tocht vindt hij een ring die hem onzichtbaar maakt. Dat is natuurlijk heel handig voor een inbreker, en hij maakt er dan ook dankbaar gebruik van. De ring helpt hem om het avontuur tot een goed einde te brengen. So far so good.

Maar terwijl Tolkien de The Hobbit schreef, werkte hij dus ook aan die veel serieuzere mythologie en die geschiedenis van Middle Earth. En hij begon zich vragen te stellen. Zo begon hij zich af te vragen, wat het betekent om onzichtbaar te zijn. Wat betekent het om dingen te kunnen doen, die onzicht-baar en onopgemerkt blijven voor de mensen met wie jij leeft? Wat doet het met jou, als je dingen in het verborgene wilt doen? En wat betekent dan de gave van een ring, die je onzichtbaar maakt? En wat doet het langdurige bezit van zo’n ring met je? Met andere woorden: Tolkien begon te ontdek-ken dat er met die schijnbaar onschuldige ring van Bilbo eigenlijk iets heel sinisters aan de hand is, en dat wat een handige vondst leek, eigenlijk een onheilspellende gave is.

In The Lord of the Rings is die ring dan ook totaal veranderd: De ring heeft een oorspronkelijke eigenaar, namelijk Sauron. Sauron is een dienaar van het kwaad. Gedurende de middeleeuwen van Middle Earth – vele, vele eeuwen vóór Bilbo leefde, in een voor hem al mythologisch verleden – heeft er een enorme oorlog gewoed tussen de machten van het kwaad en degenen die zich tegen dat kwaad verzetten. Tijdens die oorlog heeft Sauron magische ringen gesmeed, die hij aan belangrijke heersers gaf om hen zo onder zijn macht te brengen. Hij smeedde daarbij één ring, waarin hij veel van zijn eigen macht en kunde samenbalde, en die hem hielp om anderen aan zijn heerschappij te onderwerpen. Maar Sauron verloor die oorlog. Hij werd verslagen, en zijn ring ging verloren.

Sauron mag dan echter in die oorlog wel verslagen zijn, maar hij werd niet gedood. En zijn ring mag verloren gegaan zijn, maar hij werd niet vernietigd. En precies die ring wordt door Bilbo op zijn avontuur gevonden.

In The Lord of the Rings is Bilbo inmiddels oud, en niet meer de hoofdpersoon. Een neefje van hem – Frodo – is zijn erfgenaam, en wordt de centrale held van The Lord of the Rings. Aan het begin van dat boek vraagt Frodo, of het inderdaad toeval was dat Bilbo die ring vond. Hij krijgt als antwoord dat het misschien toeval was, maar dat het misschien ook de bedoeling was dat Bilbo de ring zou vinden. En dat het daarbij misschien dan ook de bedoeling was dat die nu in de handen van Frodo is gekomen. Hoe dan ook; hij – Frodo – moet nu vervolgens besluiten, wat hij met deze gevaarlijke gave moet gaan doen.

Dit is één van de momenten in het boek, waarop wij het dichtst bij het noemen van God komen. Tolkien suggereert, maar op een heel subtiele wijze, dat er een wil ten goede werkzaam is in de wereld. Die wil ten goede probeert om dingen ten goede te leiden. Maar die wil wordt nooit expliciet genoemd of een naam gegeven, hoewel die er op de achtergrond steeds is en af en toe bespeurbaar wordt. Dit is een eerste, gelovig, thema, als je wilt.

Er is een tweede, die hier onmiddellijk verband mee houdt: Tolkien gaat uit van het bestaan van een individuele vrije wil, en dus van de verantwoordelijkheid van ieder individu om beslissingen te nemen. En voor Tolkien is ieder wezen dat een vrije wil heeft, in oorsprong goed. Maar natuurlijk is er ook het kwaad. Er is zelfs heel veel kwaad in The Lord of the Rings. Want in het boek ontspint zich een tweede wereldwijde oorlog, waarin het kwaad probeert de macht te grijpen, en iedereen van goede wil met man en macht moet proberen om dat te voorkomen.

Zoals in ieder goed sprookje, is het voor ons als lezers daarbij volstrekt helder, wat goed en kwaad is. Maar voor de personages in het verhaal ligt dat heel anders. In het verhaal ligt het kwaad voor iedereen, hoe goed je van oorsprong ook bent, als een verleiding op de loer. En de belangrijkste verleiding is die van de macht. Ook de macht om het goede te doen.

Die verleiding is er dus voor iedereen in het boek. Niemand ontsnapt daaraan. Maar dat legt dan de centrale vraag op tafel, hoe je met die verleiding omgaat.

Het is een heel oude discussie, natuurlijk. Is de mens tot het kwade geneigd, of juist tot het goede?

Tolkien neemt hierin een heel katholiek standpunt in (hoewel de nodige katholieken tot een ander standpunt geneigd zijn, natuurlijk). Voor hem is de mens van nature goed – of, om het toepasselijker te zeggen; ieder wezen (mens, elf, dwerg of hobbit) is van nature goed. Maar wij staan allemaal onder de verleiding van het kwaad. En ieder van ons heeft een onvervreemdbare verantwoordelijk-heid om daarin keuzes te maken.

Hoe maak je die keuzes? Dat brengt me bij een ander belangrijk thema, maar ik wil eerst het voorgaande nog even verdiepen:

Er is een oude overtuiging in de katholieke theologische traditie, die trouwens veel ouder is dan het christendom, en op de Griekse klassieke filosofie teruggaat. Namelijk dat “zijn” en “goed-zijn”; “zijn” dat wil zeggen, het naakte bestaan, bestaan als zodanig, en het goede, wezenlijk met elkaar samen-hangen. In de klassieke theologische formulering heet dat “esse et bonum convertuntur”, of – om de titel van een boek van Scott MacDonald te parafraseren – Being is goodness.

In de boeken van Tolkien vind je dat op allerlei manieren terug. De machtigste figuren, bijvoorbeeld, zoals de tovenaars (onder wie Gandalf, een “wizard” op z’n Engels, in zekere zin als boodschappers van het goede, vergelijkbaar met wat in de christelijke traditie engelen zijn) zijn onnoemelijk oud. Zij hebben dus letterlijk meer ‘zijn’, in de zin dat zij veel langer bestaan dan gewone stervelingen. Ook elfen hebben dat. Zij zijn namelijk onsterfelijk, tenzij zij met geweld worden gedood. En zij hebben vermogens die mensen niet hebben, zoals het vermogen om met dieren te spreken, en om alles dat met natuur te maken heeft, veel beter te verstaan dan mensen ooit zouden kunnen.

Maar zelfs bij mensen zien zij het in The Lord of the Rings terugkomen.  Zo zijn er vertegenwoordigers van heel oude en eerbiedwaardige geslachten, die elf-achtige eigenschappen hebben, zoals het geslacht van Aragorn, die aan het einde van het verhaal als rechtmatige koning terugkomt op de troon van het belangrijkste koninkrijk van Middle Earth. Zij zijn mensen met meer “zijn” en die vaardigheden hebben, die andere mensen niet (meer) bezitten. Zij worden ook veel ouder dan wij, gewone stervelingen.

Terug naar die keuzes: Hoe maak je goede keuzes? Een belangrijk deel van het antwoord van Tolkien is, dat je dat leert. Er is een mooi boekje van Mark Eddy Smith, getiteld Tolkien’s Ordinary Virtues, “Tolkien’s alledaagse deugden”. Eddy Smith vraagt daarin aandacht voor de deugden waar Tolkien voor pleit. Het zijn de deugden die hobbits, niet voor niets de helden van het verhaal, bij uitstek hebben: Hobbits houden van lekker eten en drinken. En van goed gezelschap. Ze worden gekenmerkt door eenvoud, generositeit, vriendschap, gastvrijheid, en een groot hart dat blijft hopen, ook als er geen reden voor hoop lijkt te zijn.

Deugden zijn – volgens de klassieke definitie – aangeleerde goede gewoonten. En zij helpen om richting te vinden bij het maken van keuzes.

Maar Tolkien lijkt bovendien van mening te zijn, dat deugden niet alleen aangeleerd zijn. Er zijn ook mensen (of Hobbits) die die deugden van nature meer lijken aan te kleven, dan anderen. Hoe dat ook zij, in Tolkien’s vroege jaren was er voor deugden zowel filosofisch als theologisch nog volop aan-dacht, een aandacht die deels weer aan het terugkeren is. Maar Tolkien heeft het belang van deugden eerder in de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog ontdekt, dan op zijn studeerkamer. Tijdens de Eerste Wereld was hij, als academisch gevormd mens, een luitenant in het Britse leger. En hij heeft in de loopgraven een diepe bewondering ontwikkeld voor de deugdzaamheid van de gewone Britse soldaten met wie hij daar te maken had. Hij heeft ooit gezegd dat wat hem vooral hoop bleef geven, het gewone fatsoen van gewone mensen was.

Dat brengt ons bij het laatste thema in de Lord of the Rings, dat ik ter sprake wil brengen: De wereld van Middle Earth en van The Lord of the Rings met zijn verschrikkelijke oorlog, staat bol van de machtige mensen en de nog veel machtiger wezens, zoals de elfen en de tovenaars. Maar die machtige wezens zijn niet degenen die de wereld redden. In tegendeel: degenen die de wereld redden, zijn de vier hobbits die de hoofdpersonen zijn. Zij zijn geen machtige en grootse wezens. Zij zijn half zo groot als een mens, zoals ik al vertelde. Er is niets bijzonders aan hen. Één van hen is een jonge rentenier en een beetje een student. Een tweede is een tuinman. En de andere twee zijn al even gewoon en on-heroïsch. Ze zijn geboren in kleine dorpjes in een uithoek van het immense rijk dat Middle Earth is, en waarin zij opeens een hoofdrol gaan spelen.

Er is een duidelijke parallel met verhalen uit de Bijbel. Één van de sleutelverhalen in het Oude Testament is dat van de uittocht uit Egypte. Het is het centrale verhaal van het Joodse Paasfeest. In dat verhaal wordt verteld hoe God zich ontfermt over het kleine Israël. Het kleine Israël is een speelbal in de handen van de machtige buurlanden Egypte en Assyrië. En het verhaal vertelt hoe het volk Israël als slaven gevangen zit in Egypte. Het verhaal toont hoe God niet aan de kant van de machtigen blijkt te staan, maar  kiest voor het onaanzienlijke. Hij zendt Mozes en bevrijdt Israël uit het slavenhuis waarin het gevangen zit.

Hier valt veel over te zeggen natuurlijk. Maar het thema van het onaanzienlijke, dat van waarde blijkt en waar Gods oog op valt, is een thema dat regelmatig in de Bijbel terugkomt. Bijvoorbeeld ook in het verhaal van David, die als jongste van zijn broers het slavenwerk van de familie doet en de kudde van de familie hoedt, maar uitgekozen wordt om de koning te worden van Israël.

En hetzelfde zien wij zeker ook terug in het verhaal van Jezus. Volgens het christelijke geloof wordt God zichtbaar als nooit tevoren in het menselijke gelaat van Jezus. En hij wordt geboren in een uithoek van de provincie Palestina, op zichzelf al een uithoek van het immense Romeinse Rijk. De christelijke traditie toont en viert hem in twee christelijke feesten bij uitstek. Namelijk met Kerstmis, het feest dat wij vannacht en morgen vieren, en met Pasen. Kerstmis toont Hem als een klein kind, voor wiens zwangere moeder geen plaats was in een herberg, zodat zij moest bevallen in een stal en haar kind in een voerbak te rusten moest leggen. En Pasen toont Hem hangend aan een kruis, doodgemarteld na een onverdiend schijnproces.

Wij spreken in de christelijke traditie wel van Gods’ macht en almacht. Maar die macht van God is een hele vreemde macht. Het is een macht die anders is, dan die van de mensen. Een macht, namelijk, die menselijke macht eerder ontmaskert en toont voor wat ze is, omdat die goddelijke macht zich toont in wat weerloos lijkt, maar van waarde is. Zoals ze ook bij voorkeur kiest voor wat weerloos lijkt, maar waardevol is.

Ik wil eindigen met het slot van The Lord of the Rings: De oorlog is gestreden en gewonnen. De helden zijn geëerd en gevierd. En wij zijn aan het einde van het derde tijdperk van Middle Earth gekomen; de Elfen verlaten Middle Earth, en Frodo – de held van het verhaal – reist met hen mee, omdat hij verwond is door wat hij heeft doorgemaakt om in Middle Earth nog langer te kunnen blijven leven.

En in de laatste scene van het boek richt de schijnwerper zich niet op alle grote helden, zelfs niet op Frodo. De schijnwerper wordt gericht op Sam Gamgee, zijn knecht en tuinman en misschien de eenvoudigste van de vier hobbits, die Frodo in de moeilijkste omstandigheden trouw is gebleven en met enorme moed heeft bijgestaan. Sam begeleidt Frodo naar de havens, waar Frodo scheepgaat om naar de Gelukzalige Eilanden te gaan. En Sam keert na het afscheid terug naar huis. Hij beklimt de heuvel waar hij woont, en ziet het licht van de haard die daar brandt. Er is een avondmaaltijd die voor hem klaar staat, want hij wordt verwacht. Hij is inmiddels getrouwd met Rose, zijn jeugdliefde en zij hebben inmiddels een dochtertje, Elanor. Ik lees het slot van het boek voor:

Sam turned to Bywater, and so came back up the Hill, as day was ending once more. And he went on, and there was yellow light, and fire within; and the evening meal was ready, and he was expected. And Rose drew him in, and set him in his chair, and put little Elanor upon his lap.

He drew a deep breath. ‘Well, I’m back,’ he said.

En daar eindigt het grootse epos. Niet in prachtige paleizen en in het gezelschap van machtige koningen en krijgers. Maar thuis bij een tuinman, bij een haardvuur en een goede maaltijd met de mensen die je dierbaar zijn.

Het is een passend beeld voor een eenvoudige hobbit die van een goed glas bier, lekker eten en goed gezelschap houdt. En het lijkt me bovendien een toepasselijk beeld voor ons, op de drempel van het Kerstfeest, nu wij hopelijk ook samen zullen zijn met mensen die ons dierbaar zijn, met een goed glas en een gezellige maaltijd.

 

Deze jaargang van het Weekbericht wordt geredigeerd door Hans Classen, Tjeerd Jansen, Paul Dirven en Astrid Wessels (vz). Verzoek van de Ledencommissie: graag de naambadge dragen.